In het kort

In 2018 als een mijlpaal onthaald, bleek de Belgische wet van 18 juni 2018 slechts het startpunt van een doorlopende reeks hervormingen. Tussen 2018 en 2026 bleef de Belgische wetgever het kader voor minnelijke geschillenoplossing bijschaven, verruimen en versterken — tot het verplicht stellen, sinds 1 september 2025, van kamers voor minnelijke schikking in de meeste burgerlijke, handels- en arbeidsrechtbanken. Toch blijft de paradox, acht jaar later, bestaan: België beschikt over een bijzonder volledig juridisch kader voor de minnelijke weg, maar het werkelijke gebruik blijft onder zijn potentieel — en wordt nog steeds slecht gemeten. Dit artikel schetst wat de wet van 2018 veranderde, geeft de volledige tijdlijn van de evoluties tot 2026, en analyseert waarom zo'n gunstig kader nog steeds moeilijk wortel schiet in de gerechtelijke cultuur.

1. Het vertrekpunt: bemiddeling erkend maar marginaal (vóór 2018)

Bemiddeling is niet in 2018 ontstaan. Haar Belgische wetgevende geschiedenis is lang:

Ondanks dat fundament waren de resultaten teleurstellend. De rechtsleer geeft het ruiterlijk toe: bemiddeling bleef in de praktijk weinig gebruikt, door een gebrek aan kennis bij de juridische actoren en door onvoldoende promotie (Cairn.info). Over 2012-2018 zou België zich, volgens NotreAccord, onderscheiden hebben door een hoog aantal gerechtelijke procedures per inwoner in vergelijking met verscheidene Europese buurlanden (NotreAccord). Het is die dubbele vaststelling — een doeltreffend maar gemeden instrument, en overbelaste rechtbanken — die de hervorming van 2018 voedde.

2. Wat de wet van 18 juni 2018 werkelijk veranderde

De wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing — bijgenaamd de "verzamelwet" of "waterzooi" — werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 juli 2018 (gecoördineerde tekst, federaal e-Justice-portaal). Titel 9 (artikelen 204 tot 240) trad in werking op 12 juli 2018; het luik collaboratief recht op 1 januari 2019 (rechtsleerstudie UCLouvain).

Zes bijdragen structureren de hervorming.

2.1. Een paradigmawissel: eerst de minnelijke weg

Het nieuwe artikel 730/1 van het Gerechtelijk Wetboek formuleert een richtinggevend beginsel: de rechter bevordert, in elke stand van het geding, een minnelijke wijze van geschillenoplossing. Behalve in kort geding kan de rechter, reeds op de inleidende zitting, de partijen vragen welke stappen zij hebben gezet om hun geschil minnelijk te regelen en hen wijzen op de nog openstaande mogelijkheden (droitbelge.be). De gerechtelijke weg houdt op het natuurlijke vertrekpunt te zijn.

Het is veelzeggend voor het politieke compromis dat een meer ingrijpende maatregel uit het voorontwerp tijdens de parlementaire werkzaamheden werd geschrapt: de verplichting voor de rechtzoekende om vóór de aanhangigmaking een minnelijke poging aan te tonen. De Hoge Raad voor de Justitie had zo'n dwang buitensporig geacht in het licht van het recht op toegang tot de rechter (UCLouvain). België koos dus voor sterke aanmoediging in plaats van verplichting.

2.2. Nieuwe verplichtingen voor advocaten en gerechtsdeurwaarders

2.3. Een aanzienlijk verruimd toepassingsgebied

Artikel 1724 stelt bemiddeling open voor elk geschil van vermogensrechtelijke aard, grensoverschrijdend of niet, met inbegrip van geschillen waarbij een publiekrechtelijke rechtspersoon betrokken is — overheid, overheidsopdrachten, ruimtelijke ordening, milieu, onteigening, administratieve sancties. Dat is een belangrijke breuk: onder de wet van 2005 kon een publiekrechtelijke rechtspersoon enkel bemiddelen in de gevallen bepaald bij wet of koninklijk besluit (droitbelge.be).

2.4. De macht van de rechter om naar bemiddeling te sturen

Artikel 1734 laat de rechter toe bemiddeling te bevelen met instemming van de partijen, of — wanneer hij een toenadering mogelijk acht — zelfs indien slechts één partij ermee instemt, op de inleidende zitting of uiterlijk na de eerste conclusies van de verweerder. Een wezenlijke grens: indien alle partijen zich verzetten, kan de rechter het niet opleggen (KMS Partners). En zelfs wanneer bevolen, blijft bemiddeling vrijwillig: elke partij kan er op elk moment een einde aan maken, zonder nadeel (droitbelge.be).

2.5. De verankering van het collaboratief recht

Een al te vaak vergeten vernieuwing: de wet creëert een achtste deel van het Gerechtelijk Wetboek (artikelen 1738 tot 1747) gewijd aan het collaboratief recht, van toepassing sinds 1 januari 2019. Elke partij wordt bijgestaan door haar eigen erkende collaboratief advocaat. Een typisch mechanisme: bij mislukking moeten beide advocaten zich terugtrekken en mogen zij niet pleiten in de daaropvolgende procedure — wat ieders belang afstemt op het slagen van de onderhandeling (FOD Economie; Wikipedia).

2.6. Bescherming van de titel van bemiddelaar

Een nieuw artikel 227quater van het Strafwetboek bestraft met een geldboete het wederrechtelijk gebruik van de titel van erkend bemiddelaar (tekst weergegeven door GEMME Europe).

3. De volledige tijdlijn van de wijzigingen, van 2018 tot 2026

Hier ligt de kern van de actualiteit: de wet van 2018 heeft het recht niet bevroren, ze opende een permanente werf. Hieronder de opeenvolging van wetgevende ingrepen in het minnelijke kader van het Gerechtelijk Wetboek, zoals die blijkt uit de officiële gecoördineerde tekst (JUSTEL / federaal e-Justice) en uit de Federale Bemiddelingscommissie (FBC, wettelijke basis).

2018 — De grote hervorming (wet van 18 juni 2018). Zie deel 2. Minnelijk luik in werking op 12 juli 2018, collaboratief recht op 1 januari 2019.

2022 — Twee procedurele bijsturingen. Artikel 1734 wordt gewijzigd door de wet van 6 november 2022 (in werking op 1 december 2022), daarna door de wet van 6 december 2022 (in werking op 31 december 2022), in het kader van bredere hervormingen van de burgerlijke rechtspleging (JUSTEL, coördinatiemarkeringen van art. 1734).

2023 — De veralgemening van de kamers voor minnelijke schikking (wet van 19 december 2023, Belgisch Staatsblad van 27 december 2023). Het grote keerpunt van de periode. De wet verankert en veralgemeent de kamers voor minnelijke schikking (KMS), voegt de artikelen 734/1 e.v. in, en legt een verplichte opleiding op voor rechters en raadsheren in verzoening en bemiddeling (FBC; Lexgo). Als procedurewet is ze onmiddellijk van toepassing, maar de eigenlijke verplichting om over een KMS te beschikken is vastgesteld op 1 september 2025 (zie deel 4).

2024 — Een golf van aanpassingen. Drie ingrepen dat jaar:

2025 — Inwerkingtreding van de KMS-verplichting (1 september 2025). Het sluitstuk van de wet van 2023 (zie deel 4).

2026 — De jongste aanpassing tot dusver. Een wet van 11 december 2025 vulde artikel 1734 over de gerechtelijke bemiddeling aan; ze trad in werking op 3 januari 2026 (JUSTEL, art. 1734; FBC).

De tendens is duidelijk: sinds 2018 stuurt de Belgische wetgever het minnelijke kader bijna elk jaar bij. Die regelgevende intensiteit is op zich een aanwijzing — van een hervorming die haar evenwichtspunt nog zoekt.

4. Het scharnierpunt van de periode: de kamers voor minnelijke schikking (KMS)

De meest structurerende ontwikkeling is niet zozeer bemiddeling door een derde, maar verzoening door de rechter. De wet van 2018 had de verzoenende opdracht van de rechter verankerd (artikel 731). In het kielzog daarvan richtten verscheidene rechtbanken — Brussel voorop (ondernemingsrechtbank, hof van beroep), maar ook de arbeidsrechtbank van Henegouwen (een pilootproject in Charleroi vanaf 1 september 2023) — op eigen initiatief kamers voor minnelijke schikking op (VBO / FEB; Hoven & Rechtbanken).

Volgens het VBO behaalden die pilootprojecten hoge akkoordpercentages, in de orde van 80% (VBO / FEB). Gesterkt door dat succes, en met de steun van de vereniging GEMME Belgium, veralgemeende de wet van 19 december 2023 het mechanisme (GEMME Europe).

Sinds 1 september 2025 is het een wettelijke verplichting: alle rechtbanken van eerste aanleg, arbeidsrechtbanken, ondernemingsrechtbanken, hoven van beroep en arbeidshoven moeten over minstens één KMS beschikken. De familierechtbanken hebben er sinds 2014; de vredegerechten en politierechtbanken — al vertrouwd met verzoening — zijn vrijgesteld (Hoven & Rechtbanken, "Praten, dat werkt").

De KMS is een aantrekkelijk mechanisme: vrijwillig, kan worden aangezocht vóór of tijdens de procedure, gratis bij aanvang (geen rolrecht noch rechtsplegingsvergoeding bij een rechtstreekse vordering), strikt vertrouwelijk, en geleid door een verzoenende rechter die — anders dan een bemiddelaar — een mening mag geven en pistes mag suggereren, zonder ooit de rechter te zijn die het geschil later beslecht indien het mislukt (MEDENAM; Lexgo). Eén bedenking werd al door de Hoge Raad voor de Justitie geuit: de beperking tot zaken "die vatbaar zijn voor dading" lijkt, voor sommige geschillen, te restrictief (analyse s-mediation.be (PDF)).

5. Waar staan we in de praktijk, in 2026?

5.1. Een beroep dat duidelijk is gegroeid

Op het einde van de overgangsperiode van 2005 telde men, volgens het kantoor Renson, ongeveer 1.857 tijdelijk erkende bemiddelaars, teruggevallen tot zo'n 1.275 in 2015 (kantoor Renson). Na 2018 keert de tendens: het aantal actieve erkende bemiddelaars overschreed eind 2020 de 2.500 — een cijfer uit het jaarverslag 2020 van de FBC, overgenomen door NotreAccord (NotreAccord). Recentere publieke gegevens zijn niet geconsolideerd, wat aansluit bij de hierna besproken vaststelling van statistische leemte. Aan de zijde van het collaboratief recht werden enkele honderden advocaten opgeleid in de Federatie Wallonië-Brussel (balie van Doornik). Het aanbod is in elk geval gevolgd.

5.2. Een bescheiden werkelijk gebruik — en nog steeds slecht gemeten

Het moet met methodologische eerlijkheid worden gezegd: betrouwbare, gecentraliseerde gegevens over het werkelijke volume aan bemiddelingen voor de Belgische rechtbanken blijven schaars. De FBC erkent bemiddelaars en houdt hun lijst bij, maar voert geen bemiddelingen uit en centraliseert geen volledige statistieken over de gerechtelijke activiteit (Europees e-Justice-portaal, fiche België). Dat gebrek aan gegevens is geen detail: de afwezigheid van meting is op zich een symptoom van een onvoldoende aangestuurd beleid inzake de minnelijke weg.

Wat men kan stellen, ligt in de paradox van de bemiddeling: wanneer ze wordt gebruikt, slaagt ze in een ruime meerderheid van de gevallen — een slaagpercentage dat vaak op ongeveer 70 tot 75% wordt geschat (Instituut van de Bedrijfsrevisoren) — en wordt ze toch zelden systematisch ingezet door de partijen en hun raadslieden. Een Europese studie uit 2011 (DG Intern Beleid van het Europees Parlement) schatte zelfs dat, voor België, bemiddelingen in een zeer groot aandeel zouden moeten mislukken (in de orde van 90%) om geen collectieve meerwaarde op te leveren — met andere woorden, zelfs onvolmaakt zou ze economisch rationeel blijven (IBR).

6. Waarom blijft zo'n gunstig kader onderbenut?

Vijf families van obstakels, die elkaar versterken.

1. De prochescultuur en het gebrek aan kennis. De eerste reflex blijft een professional inschakelen om te "winnen" in plaats van om "akkoord te gaan". Een wettelijke informatieplicht volstaat niet om diepgewortelde gewoonten te veranderen (Cairn.info).

2. De ambivalente rol van de advocaten. De informatieplicht van artikel 444 blijft moeilijk te controleren, en een verandering van houding — van pleiter naar facilitator — vergt opleiding en een herziening van een verdienmodel dat verbonden is met de procedure (KMS Partners).

3. Het onherleidbaar vrijwillige karakter. Niemand kan worden gedwongen akkoord te gaan: de rechter kan aanmoedigen maar niet duurzaam opleggen. Als essentiële waarborg van de toestemming ontneemt die grens het systeem de dwingende hefboom die elders het gebruik mechanisch opdrijft.

4. Terminologische verwarring. Het woord "bemiddeling" dekt zeer uiteenlopende realiteiten — erkende burgerlijke bemiddeling, strafrechtelijke, schuldbemiddeling, de federale ombudsman… — zozeer dat de FOD Justitie zelf waarschuwt voor het oneigenlijke gebruik ervan (FOD Justitie).

5. Het tekort aan gegevens, promotie en financiering. Zonder statistische sturing is het onmogelijk te bepalen wat werkt en de inspanningen te richten. Het Belgische gerecht lijdt bovendien onder chronische onderfinanciering (Cambier Avocats), en de toegang tot de minnelijke weg via de juridische bijstand blijft een werf, opgenomen onder de werkgroepen van de FBC (FBC).

7. Besluit: een stevig fundament, een cultuur die nog moet worden gebouwd

Acht jaar later verschijnt de wet van 18 juni 2018 minder als een geïsoleerde gebeurtenis dan als de stichtingsakte van een hervormingscyclus die doorloopt tot 2026. België heeft zich een coherent en ambitieus arsenaal aangemeten — voorrang voor de minnelijke weg, versterkte plichten voor advocaten, gerechtsdeurwaarders en rechters, openstelling voor publiekrechtelijke rechtspersonen, collaboratief recht, bescherming van de titel van bemiddelaar — en het gestaag verfijnd, tot het verplicht stellen van de kamers voor minnelijke schikking sinds 1 september 2025 en het opnieuw bijsturen van de gerechtelijke bemiddeling op 3 januari 2026.

Maar een wet verandert geen cultuur bij decreet, hoe vaak ook herhaald. Het werkelijke gebruik blijft onder zijn potentieel, afgeremd door procheregewoonten, de ambivalentie van de prikkels, het vrijwillige karakter van de regeling en een schrijnend tekort aan gegevens. De veralgemening van de KMS markeert een interessante strategische verschuiving: in plaats van te wachten tot de rechtzoekende naar de minnelijke weg beweegt, wordt de minnelijke weg in het hart zelf van het gerechtsgebouw geïnstalleerd. De echte test van de komende jaren is tweeledig: eindelijk ernstig meten wat er gebeurt, en de houdingsverandering van de professionals duurzaam ondersteunen. Op die voorwaarde kan de belofte van 2018 — de minnelijke weg tot een reflex maken, en geen uitzondering — worden waargemaakt.

Voornaamste bronnen

Disclaimer: dit is algemene informatie en vormt geen juridisch advies. De verwijzingen zijn bijgewerkt met de publiek beschikbare informatie in juni 2026; raadpleeg voor een concrete situatie een erkend bemiddelaar of een advocaat.